Om zes uur ’s morgens sta ik op. Eerst ga ik dan water halen bij een kraan. Die staat bij een gebouw van een hulporganisatie. Het water gebruiken we om ons te wassen, de was te doen en om eten te koken. Ik was mijn gezicht en handen en maak mijn tanden met een stokje schoon. Daarna trek ik mijn schooluniform aan.
Vaak eten we ’s morgens wat maïspap. Het eten delen we met z’n zessen: mijn vader, moeder, mijn drie zussen en ik. Als er geen maïspap is, drinken we alleen thee. We doen er dan extra suiker in, dat vult beter.
Om acht uur beginnen de lessen op school. We krijgen les in een kerkzaal. Met schotjes wordt de zaal in allemaal aparte ruimtes verdeeld. In de bankjes zitten we dicht tegen elkaar aan. Het voordeel daarvan is dat je makkelijk bij elkaar in het boek kunt kijken. En dat is nodig ook, want we delen een boek met z’n vieren.
Op het veld rond de school is het in de middagpauze heel druk. Nu het basisonderwijs in ons land gratis is, gaan veel kinderen naar school. Trouwens ook volwassenen. Er zat zelfs een tijdje een man van 80 jaar in de schoolbanken. Hij wilde ook wel eens leren lezen en schrijven.
Mijn middageten is meestal een banaan of tomaat. Die eet ik snel op en dan ga ik voetballen met mijn vrienden. Onze voetbal is een bal plastic. Het plastic hebben we van de vuilnisbelt gehaald en met touwen bij elkaar gebonden.
We schrijven allemaal op een lei. Alleen bij een overhoring krijgen we een stukje papier. Misschien denk je dat zo dicht bij elkaar zitten dan ook wel handig is. Kun je makkelijker spieken! Maar dat valt tegen. Er is een wafula. Dat is een van de oudere kinderen. Hij of zij moet opletten of alle kinderen wel goed luisteren, meedoen en tijdens een overhoring niet spieken. Wie spiekt krijgt straf!
Elke school heeft een motto. Bij ons is dat: Aim high! Dat betekent: Probeer het beste te bereiken.
Voor het avondeten ga ik meestal nog snel naar de markt. Daar vraag ik de handelaren of ik een klusje voor ze kan doen. Als ik dan een paar shilling verdien en dat geld aan mijn moeder geef, is zij heel blij.
’s Avonds staat er vaak sukuma wiki op het menu. Dat is een soort spinazie. Het vult heel erg, ze zeggen wel dat als je dat eet je er weer een hele week tegen kunt. We eten het, net als al het andere eten, met onze handen. We eten ook vaak bonen of wortelen.
We wonen in een klein huisje met een golfplaat als dak. Ons huisje staat in een slum. Dat is een sloppenwijk van de stad. In de slums wonen wel een miljoen mensen bij elkaar. Het is ’s avonds heel druk op straat. Mensen maken een praatje. Ik zoek meestal mijn vrienden op. Op een stoffig veldje bij een fabriek gaan we dan voetballen. We gaan naar dat veldje want dat is de enige plek in de buurt waar verlichting is. Om tien uur moet ik naar bed. Als ik op mijn matje lig te slapen, droom ik dat ik later een beroemde voetballer ben.