Hoi, ik ben Maxim. Ik ben 9 jaar en ik woon in Moldavië. Het is nu half zeven ’s ochtends. Mijn oudere zus roept dat ik op moet staan. Wij wonen bij onze oma. Mijn vader en moeder werken als gastarbeider in Roemenië. In Moldavië kunnen heel veel mensen geen werk vinden. Daarom gaan veel mensen naar het buitenland.
Voor het ontbijt ga ik hout verzamelen om ons fornuis te kunnen stoken. Daarna melk ik onze koe. De melk heeft mijn oma nodig voor het ontbijt. We hebben ook een paar kippen. Die lopen los rond. ’s Ochtends zoek ik rond ons huis naar eieren.
Om half acht gaan we ontbijten. ’s Ochtends eten we vaak melksoep. Dat is gekookte melk met rijst of macaroni erin. Soms hebben we ook brood met jam bij het ontbijt. Dat vind ik veel lekkerder, maar brood is best wel duur.
Na het ontbijt helpt mijn zus mij met mijn huiswerk. Zij is drie jaar ouder dan ik en ze spreekt al erg goed Russisch. Thuis spreken we Moldavisch, maar op school krijgen we ook Russisch. Ik vind het maar moeilijk om al die woordjes te leren.
Om half negen begint mijn school. De school is vlakbij in het dorp, dus ik hoef niet zo ver te lopen. In de winter is het bij ons heel koud en sneeuwt het veel. De verwarming op school is vaak kapot. Dan wordt het zo koud in de klas dat de ramen bevriezen. Daarom mogen we in de winter onze mutsen ophouden in de klas. Maar zelfs met m’n muts op, een dikke trui aan en mijn jas eroverheen, heb ik het nog wel koud. Mijn vingers kunnen dan niet meer schrijven. Om warm te blijven doet de juf oefeningen met ons.
Om half een begint de middagpauze. Dan ga ik naar huis om te eten. We eten vaak soep, bijvoorbeeld aardappelsoep, kool- of bietensoep. Als drinken krijgen we thee of vruchtenlimonade. Dat is heel lekker want er zitten ook hele vruchten in.
In de zomer ga ik na het eten snel weer naar school. Dan kan ik nog even op het schoolplein spelen. We doen dan spelletjes als verstoppertje of trefbal. Als de bel gaat, moeten we naar binnen komen.
Om twee uur beginnen de lessen weer. Die duren tot half vijf. Het leukste op school vind ik aardrijkskunde. Dan leren we over veel over andere landen. Ik wil later piloot worden, dan kan ik al die landen bezoeken.
Na school ga ik vaak nog even spelen met mijn vriendje. In de winter kan hij niet elke dag naar school. Hij en zijn broertje hebben samen een paar schoenen. Daarom gaan ze om de beurt naar school. Als ik thuis kom, kijk ik altijd eerst of er een brief uit Roemenië is van mijn ouders.
Bij ons huis is een groentetuintje. Daar verbouwt mijn oma kool, wortelen, uien en aardappels. Ook zijn er tomaten en komkommers. We eten ook vaak rijst. Voor vlees hebben we geen geld. Als we genoeg kuikentjes hebben, slacht mijn oma met feestdagen een kip. Dan hebben we echt een super maaltijd.
’s Avonds maak ik mijn huiswerk. Als de electriciteit weer eens is uitgevallen, steken we kaarsen of een olielamp aan. In de winter blijven we ’s avonds altijd binnen. Dan zitten we op onze bedden dicht bij het fornuis. Dat is lekker warm. Om half tien ga we allemaal slapen. Het bed van mijn oma staat tegen dat van mij aan. Mijn zus slaapt aan de andere kant.