Moni nonse (=goedemorgen) ik heet Nkuku en ik ben 11 jaar. Ik woon in een klein dorpje op het platteland van Malawi. Ons huis is van leem met een dak van stro. Daar woon ik met mijn vijf broertjes en zusjes en mijn ouders. Het huis heeft één kamer. We slapen met z’n allen op matjes op de grond.
Omdat het in Malawi vaak mooi weer is, leven we veel buiten. In de regentijd kan dat bijna niet. Dan verandert het zand voor ons huis in een grote modderpoel.
Het is nu zes uur, tijd om op te staan.
Vandaag eten we als ontbijt nshima. Dat is een dikke pap van maïs. ’s Ochtends eten wij de nshima met suiker en melk. De maïs verbouwen wij zelf. Achter ons huis is een maïsveld. Ik help mijn vader met het zaaien en oogsten van de maïs.
Na het ontbijt ga ik hout verzamelen in het bos een eindje van ons dorp vandaan. Als ik een flinke stapel takken heb, bind ik ze bij elkaar. Ik draag het op mijn rug naar huis. Dat is best zwaar. Het hout gebruikt mijn moeder om eten op te koken.
Om half acht moet ik op school zijn. Bij ons op school zijn er acht klassen. Ik zit in de zesde klas. Er zitten 80 kinderen in onze groep. Omdat er te weinig klaslokalen zijn, krijgt mijn klas buiten les. Ik probeer altijd een plekje te vinden in de schaduw van een grote boom. De zon kan bij ons heel fel zijn.
We krijgen les in verschillende vakken. We praten Chichewa op school, maar we leren ook Engels. Dat vind ik erg leuk, maar het is wel moeilijk hoor! Bij rekenen let ik altijd extra goed op. Later wil ik een winkel beginnen en dan moet ik goed kunnen rekenen.
Tussen de middag ga ik thuis eten. Meestal eet ik dan snel wat maïskoeken. Ik heb dan genoeg tijd over om nog een rondje op mijn vaders fiets te doen. Mijn vader werkt als timmerman in een dorpje iets verderop. Op de fiets kan hij van alles meenemen. Soms brengt hij me met de fiets weer naar school. Dan zit ik dwars op de stang.
Vanmiddag gaan we met de hele klas sporten. We doen allerlei spelletjes. Het leukste vind ik slagbal. Ik kan de bal heel ver weg slaan. Soms sla ik zo hard dat de tak waar ik mee sla breekt. Het sporten is altijd veel te snel weer afgelopen.
Na school help ik mijn moeder met allerlei klusjes rond het huis. Als ik klaar ben ga ik met mijn vriendje naar onze geheime hut. Die hebben we zelf gemaakt van takken en bananenblad.
Voor de schemering moet ik thuis zijn. Dan kunnen we voor het donker wordt nog eten. ’s Avonds eten we meestal rijst. Vaak maakt mijn moeder ook nshima. We eten met onze handen uit een kom.
Als het donker is kunnen we in huis weinig doen. Er is geen electriciteit. Alle mensen uit ons dorp zitten ‘s avonds bij elkaar rond een vuur. Onze dorpsoudste kan goed verhalen vertellen. Ook wordt er muziek gemaakt en gedanst. De oudere jongens uit het dorp leren de jongere om te drummen. Zij hebben hele grote houten trommels. Die maken ze zelf. Voor het vel gebruiken ze dierenhuiden. Om half negen komt mijn moeder me halen omdat ik moet gaan slapen.